De namen van wegen en gebouwen in de Bijlmermeer zijn ontleend aan de namen van buitenplaatsen en hofsteden uit de streken rondom Amsterdam waar in vroeger eeuwen de Amsterdamse patriciërs hun vakantieverblijven hadden: Kennemerland, omgeving Diemen, Amstelland, Vechtstreek, Gooi- en Eemland.

Voor verschillende delen van de Bijlmermeer werd per deel steeds een naam met dezelfde beginletter gebruikt. Zo was althans de bedoeling in 1968. Al gauw bleek het aantal beschikbare namen met vereiste beginletter onvoldoende en in 1971 besloot de gemeenteraad dan ook namen van buitenplaatsen, hofsteden en dergelijke uit andere delen van het land te gebruiken. Geerdinkhof is genoemd naar Erve Geerdink, een meer dan duizend jaar oude boerderij in het Twentse Vasse.

Erve geerdink

Een vroeg begin
Het verhaal gaat dat rond 800 na Chr. zo'n veertien families uit Saksen op de vlucht voor Karel de Grote zich in Vasse gevestigd zouden hebben. Negen families zochten een gebied met een waterhoudende beek op. Water is van belang voor wonen en agrarisch leven. Deze families hadden allen een naam met ...ink: Geerdink en verder Ensink, Lensink, Masselink, Mastink, Mensink, Teusink, Vrielink, Warmelink en Wigbelink. De nederzetting van Geerdink stond dus aan de beekzijde, de huidige boerderij staat aan de Beekzijdseweg. Aan de oudste geschiedenis van deze Erve heeft de bekende priester, politicus en literator, Dr. H.J.A.M. Schaepman, in 1883 reliëf gegeven met een gedicht dat hij voordroeg ter gelegenheid van het 25-jarig priesterfeest van zijn boezemvriend, zijn 'moat', Egbertus Geerdink (zie kader).

De boerderij
Vermoedelijk stond er circa 1100 een heuse boerderij. De huidige boerderij, een dwarshuisboerderij, dateert uit 1870. De hooischuur en vakwerkschuur op het terrein dateren uit respectievelijk 1850 en 1860. Het achterhuis is gebouwd in 1905. De kosten van die bouw zijn gefinancierd met de houtopbrengst. Het landgoed is toen volledig gekapt en daarna zijn er weer opnieuw boompjes aangeplant. De schuur en boerderij zijn in 2001 gerestaureerd. Op het dak pronkt een katholiek kruis. In de achtergevel is een aantal opmerkelijke stenen ingemetseld met de volgende opschriften:

  • Jan Geerdink Gesina Wulferink Ehel (Eheleute) 1775
  • J. Fleerkotte, 1886 (de schoonvader van stichter G. Johannink)
  • MDCCLXXV (een jaartalsteen)
  • G. Johannink H. Fleerkotte 1904

Een tweede serie ingemetselde stenen is meegenomen door pastoor Egbert Geerdink van zijn reis naar Rome in 1867 en naar het Heilige Land in 1894.

Bewoners
Hoewel de boerderij al eeuwenlang bewoond is, gaat de overgeleverde geschiedenis (nog) niet verder terug dan tot de bewoning door Jan Geerdink, gehuwd met Gesina Wulferink die daar, zo blijkt uit een gevelsteen, rond 1775 gewoond hebben. Na hun bewoonde zoon Gerrit, gehuwd met Gesina Wenneger, de erve. Na Gerrits dood in 1826 nam zoon Harm Jan met echtgenote Euphenia Rust zijn intrek in de boerderij. Hun kinderen bleven zonder kroost: de één werd pastoor en de ander (Gerhardus, 1831-1882) bleef ongehuwd. Hij, Gerhardus, was dan ook de laatste echte Geerdink die de erve bewoonde. Na Gerhardus' dood betrok een neef van Gerhardus, Johannes Fleerkotte, de boerderij. Johannes was de zoon van Hendrika Geerdink, gehuwd met Bernardus Fleerkotte. Neef Johannes was gehuwd met Johanna Gerardina Breembroek. Zij kregen drie dochters: Maria, Henrica en Gesina. Dochter Henrica zou met haar man Gerhardus Johannink de nieuwe bewoner van Erve Geerdink worden. Om de eeuwenoude naam Geerdink te bewaren deed Johannes het verzoek de naam Geerdink Johannink te mogen voeren. Dat werd bij Koninklijk Besluit van 12 december 1913 goedgekeurd. Henrica en Gerhardus kregen een zoon die trouwde met Johanna Maria Bolscher. De dochter uit dit huwelijk, Hendrika Geerdink Johannink, trouwde met Jos Hövels en daarmee zijn we bij de actuele bewoning aanbeland.

Willem de Clerq
In de geschiedschrijving van Erve Geerdink wordt ook nogal eens stil gestaan bij het bezoek dat ene Willem de Clerq (1795- ?) aan het Twentse land bracht. De Clerq was voorbestemd predikant te worden, hij werd echter graanhandelaar en bouwde een grote reputatie op. In 1813, nog slechts achttien jaar jong, bezocht hij Twente en maakte hij een uitstapje naar onder meer Mander en Vasse. In zijn dagboek schrijft hij hierover: 'Wij kwamen eindelijk bij een boer aan, Geerteman (dit moet Gerrit Geerdink geweest zijn) geheten, een van de rijkste van deze streek. Zijn huis, goed gebouwd, is omgeven door zeven korenschuren, verborgen tussen de eikenlanden, die zijn bewoning omringen. Wij maakten met hem een wandeling en alles wat we zagen, korenakkers, weiden, bos, alles behoorde hem toe. Het aantal mensen, dat voor zijn rekening werkte, bedroeg dertien en hij had nog acht toegevoegde werkkrachten die hem hielpen om de oogst binnen te halen. Hij zaaide twee vrachten per jaar. Hij had een groot aantal stuks vee en vijf paarden, waarvan twee heel mooie. Hij maakte gebruik van een beekje, dat door zijn bezittingen stroomde, om zijn akkers onder water te laten lopen. Nu er geen Broekland meer was, hadden deze boeren (...) toch weiden.
Men zou het lot van deze boer kunnen benijden. Hij had noch de goedaardigheid van de boer van Getelo noch de wijsheid van Bosmeijer, maar hij was rijker dan zij. Hij leek op een grand seigneur en liet op een enigszins overdreven manier alles, wat hij bezat, zien. Zijn kamer was niet schoner maar beter gemeubileerd dan die van de andere boeren. Men zag er een klavecimbel, een bureau, maar verschrikkelijke platen, waarmee de muren bedekt waren, getuigden van de niet al te intelligente vroomheid en de slechte smaak van de bezitter.'

Drie pastoors
Over vroomheid gesproken. Die Geerteman, Gerrit Geerdink, kreeg drie zoons en twee dochters. Twee zoons, Egbertus Albertus (1797-1867) en Johannes (1803-1879) werden pastoor. Ook hun neefje Egbertus (1835-1916) werd pastoor. Gerrit had in zijn testament bepaald dat zijn twee jongste zonen, Egbertus Albertus en Johannes, na zijn overlijden een uitkering van 150 gulden per jaar zouden ontvangen zolang zij theologie studeerden. En aldus geschiedde. Egbertus Albertus, bijgenaamd de dorpspastoor, bezocht het gymnasium en volgde zijn theologische studies in 's Heerenberg. In 1820 werd hij tot priester gewijd. Hij was lang pastoor in Delden. Johannes, bijgenaamd de schrijver, werd in 1826 in Munster tot priester gewijd. Hij was lang pastoor in De Lutte. Hij had een grote historische belangstelling, met name ook voor de streek en voor de familiegeschiedenis. Hij schreef onder meer 'Eenige bijdragen tot de geschiedenis van het Archidiaconaat en het Aartspriesterschap Twenthe' (534 bladzijden!). Neef Egbertus, bijgenaamd de reiziger, trad in de voetsporen van zijn ooms en werd in 1858 tot priester gewijd. Hij was lang pastoor in Vianen. Egbertus was goed bevriend met Dr. Schaepman, met wie hij reizen naar Rome en het Heilige Land maakte. Deze reizen moeten net zo veel voeten in de aarde gehad hebben als de reizen van Willem de Clerq naar Sint Petersburg.

De Kapsweg, een anekdote
Bij een boerderij die zo lang bestaat, moeten er ook verhalen en legendes zijn. Zo is er het verhaal van Kaps, een boerenknecht, die ooit op de boerderij Geerdink-Johannink gewerkt en gewoond zou hebben. Hij was niet erg gelovig en verzuimde vaak kerkdiensten. Tot grote ergernis van de boerin, die hem regelmatig met hel en verdoemenis dreigde als hij zijn leven niet beterde. Na weer zo'n confrontatie verdween de knecht van de boerderij en werd pas de volgende dag gevonden, hangend aan een boomtak, precies op de grens van Tubbergen (geboorteplaats van Mgr. Schaepman) en Vasse (geboorteplaats van drie pastoors). Omdat geen van beide parochies de man op hun kerkhof wilde hebben, werd Kaps ter plaatse onder de boom begraven. Sindsdien heet die plek het Kapsveld en de weg erlangs werd later ook naar hem genoemd.

Ton de Wreede, Gdh 17

(Bij het schrijven van dit artikel is dankbaar gebruik gemaakt van de artikelen die de heer Jos Hövels ruimhartig ter beschikking heeft gesteld)