Na een verhaaltje over de halsbandparkiet en over de egel, dit keer aandacht voor een koudbloedig diertje, de rugstreeppad, Bufo calamita. Rugstreeppadden behoren, net als gewone padden, kikkers en salamanders, tot de amfibieën.

Deze diergroep heeft water nodig om zich voort te planten, dat onderscheidt ze van hun neefjes; de reptielen (hagedissen, slangen, schildpadden en krokodillen). Reptielen leggen hun eieren op het land en uit een reptielenei kruipt, na enige weken of maanden, direct een jong diertje dat alleen maar hoeft te groeien tot volwassenheid. Amfibieën leggen hun eitjes echter in het water, waaruit eerst larven ontstaan (dikkopjes, donderkopjes of kikkervisjes) die zuurstof uit het water halen door middel van kieuwen. Als deze larfjes voldoende zijn gegroeid ontstaan er pootjes en tot slot kruipen ze het land op. Natuurlijk nadat er ook nog longen zijn ontwikkeld en de kieuwen zijn verdwenen. Een ingewikkeld proces dat we metamorfose noemen.
Als je zulke kwetsbare nakomelingetjes achterlaat, moeten het er gelijk heel veel zijn, want dikkopjes zijn in het voorjaar een geliefde maaltijd voor allerlei dieren. Vooral vissen en waterinsecten natuurlijk, maar ook vogels en de amfibieën zelf. Het is bekend dat salamanders zowel kikkerdril als dikkopjes eten.

Amfibieën en reptielen zijn koudbloedige dieren, dat betekent dat ze hun warmte van buiten dienen te betrekken. Ze hebben geen intern kacheltje zoals wij en alle ander zoogdieren (en vogels!). Reptielen zijn zonaanbidders die urenlang roerloos kunnen zonnen om hun lichaamstemperatuur op peil te brengen. Want de meeste reptielen, ook die uit noordelijke streken verlangen toch wel naar ruim 30 tot 35 graden lichaamstemperatuur. Nu hebben reptielen een schubbenhuid die ze beschermt tegen uitdrogen, maar de amfibieën hebben een zeer gevoelig dun huidje, waarmee ze zelfs water kunnen opnemen, dus zonnen is er meestal niet bij. Alleen boomkikkertjes zonnen wel eens op blaadjes en ook groene kikkers zitten vaak in de zon, maar dan tegen de waterkant of drijvend op het water, zodat ze niet uitdrogen. Padden en salamanders zullen de zon altijd mijden, ze leiden een teruggetrokken bestaan onder stenen, hout of bladeren. Zogauw het donker wordt (en koeler) komen ze tevoorschijn en wandelen rustig rond. Ook tijdens een regenbui willen ze wel eens op stap gaan. Padden zijn niet kieskeurig in hun menukeuze; alles wat beweegt en in hun bek past wordt opgehapt. Bijna alle insecten, inclusief de harde kevers, maar ook pissebedden, spinnen, wormen en naaktslakken worden gegeten. Zowel reptielen als amfibieën kunnen in onze streken alleen ‘zomers actief zijn en brengen de hele winter door in een soort comateuze toestand. Zogauw de temperatuur in het voorjaar oploopt komen ze weer tevoorschijn met als eerste opdracht: voortplanten!

Zijn de reptielen zo goed als stom, de kikkers en padden laten juist van zich horen. De groene kikker kennen we allemaal (ook bekend als ‘boerennachtegaal’). Rondom Geerdinkhof, in de Bijlmerweide, wordt vanaf mei tot ver in juli luid gekwaakt, vooral tijdens warme avonden en nachten. De rugstreeppadden laten dan ook van zich horen en je hoeft geen groot kenner te zijn om hun geluid te onderscheiden van het “gekek-kek-kek-kek” van groene kikkers. Nee, zij laten een lange rollende rrrrrrrrrrrr horen en dat doen ze ook in groepen. In dezelfde periode, op dezelfde tijden als de groene kikkers, maar op heel ander plaatsen. De rugstreeppad is een echte uitzondering tussen de andere kikkers en padden. Houden alle amfibieën van goed begroeide sloten met veel oeverbegroeiing, de rugstreeppad zoekt heel ander plekken om zich voort te planten. Dit diertje houdt van zanderige onbegroeide biotopen en ook hun voortplantingswater dient behoorlijk kaal te zijn en voorzien van een glooiende oever, zonder veel hinderlijke planten of riet of andere obstakels. Zulke plekken zijn niet rijk gezaaid in ons land.

Ze komen dus van nature vooral voor in de duinen en zandige rivierbeddingen en ze zijn zelfs bestand tegen brak water, maar in ons land hebben ze een geheel nieuwe biotoop gevonden: de nieuwbouwwijk! Vooral zandopspuitingen zijn erg populair bij rugstreeppadden. Vaak ligt zo’n zandpakket enige jaren, om in te klinken. Maar voordat het laatste huizenblok of winkelcentrum is gebouwd gaan er nog eens een jaren overheen. Het is een raadsel waar ze zo snel vandaan komen, maar op zo’n opgespoten terrein klinkt in het voorjaar vaak, vanaf de eerste warme avonden in mei een duidelijk rugstreeppaddenkoor. Moeten er natuurlijk wel flinke plassen zijn waarin ze hun eisnoeren kunnen afzetten. (Overigens zijn de beste amfibieënvoortplantingsplaatsen de watertjes die jaarlijks aan het eind van de zomer droogvallen. Dan sterven ook de grote waterinsecten en kunnen er geen roofvisjes als stekelbaarzen overleven.)

Zodra de huizen zijn opgeleverd en de tuinen ingericht verdwijnen de padden weer. Vaak wordt hun plaats dan ingenomen door bruine kikkers en gewone padden. Die overleven prima in de vochtige hoekjes van tuinen en plantsoenen. Zij zorgen ook jaarlijks voor kikkerdril en paddensnoeren in de tuinvijvers.

En de rugstreeppadden? Zij trekken weer naar elders, naar nieuwe zanderige terreinen met ondiepe plassen. Een echte pioniersoort dus. Vandaar dat dit diertje, regelmatig roet in het eten gooit bij projectontwikkelaars en aannemers. Zij worden, zoals gezegd, met grote regelmaat aangetroffen op bouwterreinen en dan wordt de bouw stilgelegd, (de rugstreeppad is een beschermde diersoort) terwijl er voorheen geen rugstreeppad te bekennen was! Als bewoner van zanderig terrein kunnen ze natuurlijk uitstekend graven; met hun achterpootjes werken ze zichzelf snel de grond in. Ze hebben ook een eigenaardig loopje; de meeste paddensoorten wandelen rustig rond, maar de rugstreepjes trekken steeds korte sprintjes. In het schemerdonker worden ze dan ook gemakkelijk voor een muis aangezien. Ook hun dieet vertoont een vreemde afwijking: ze lusten zelfs mieren. Die zijn voor bijna alle dieren toch echt te zuur en ze bijten in je tong! Maar bij maagonderzoeken blijken de rugstrepen zelfs vaak mieren te eten. Er worden dieren gezien die strategisch plaats nemen naast een ‘mierensnelweg’ en in razend tempo hun maaltje naar binnen werken. Kortom een interessant diertje waarop we nog lang niet zijn uitgestudeerd. En zolang we in Nederland beschikken over duinen en zandverstuivingen en nieuwbouwterreinen natuurlijk, zal dit diertje wel overleven.