Bijna overal te vinden in tuinen en plantsoenen. In het voorjaar en zelfs gedurende de zomer vallen ze niet op en plotseling tegen het najaar ontstaan overal spinnenwebben en lijken ze opeens massaal aanwezig. Waar komen ze dan vandaan?

Wel heel eenvoudig; ze waren er al, maar vielen nog niet op. Dat zit zo:
De volwassen vrouwtjes produceren laat in het najaar grote pakketten eieren in zelf gesponnen cocons. Deze cocons worden afgezet op enigszins winterbestendige plaatsen, onder grote bladeren, steenhopen, hout en, in woonwijken, vaak onder vensterbanken, garagedeuren, schuurtjes of soortgelijke plaatsen waar ze veilig de winterkou kunnen overleven. Pas laat in het voorjaar komen de eitjes uit, meestal eind mei of zelfs pas in juni omdat de ontwikkeling van de eitjes pas kan beginnen bij voldoende warmte in het voorjaar. De pas geboren spinnetjes zijn zeer nietig en kunnen nog zeker een week leven op hun eigen eidooier. In deze eerste dagen lopen ze weg van de cocon en springen dan vanaf een takje of grassprietje “op de wind” en kunnen zo ver weg zweven van hun geboorteplek. De verspreiding gaat zo razendsnel.
Zogauw het minuscule spinnetje een geschikte plek bereikt spint hij of zij het eerste web van enkele centimeters. De gelukkigen zullen een klein insect vangen en kunnen dan doorgroeien, maar het overgrote deel van deze spinnetjes wordt natuurlijk opgegeten door vogels en talloze ander vijanden of verhongeren simpelweg. Zolang ze af en toe wat in hun web vangen groeien de spinnetjes erg snel in de loop van de zomer. Omdat, net als bij insecten, de huid niet meegroeit, vervellen kruisspinnen 5-7 keer in hun leven.

Iedere kruisspin spint dagelijks een nieuw web omdat de kleverige draden snel uitdrogen. Hier zijn ze ongeveer twintig minuten zoet mee (wel wordt het oude web geheel of gedeeltelijk door de spin weer opgegeten). Kruisspinnen behoren tot een groep die wielwebspinnen worden genoemd. Uiteraard verwijst deze naam naar de vorm van het web. Het geraamte van het web bestaat uit niet-kleverige draden en alleen de dunne draden tussen het geraamte zijn wel kleverig.
Als het web af is nemen ze plaats in het midden, of soms aan het uiteinde van een lange voeldraad en is het wachten geblazen. Een spin heeft veel geduld, soms kan het dagen duren voordat een insect het web invliegt. Als dat gebeurt registreert de spin een kleine beweging en rent dan snel naar de prooi. Ze spint in een oogwenk het slachtoffer helemaal in en begint ogenblikkelijk aan de maaltijd. De prooi is dan al verlamd en er wordt eerst verteringssap ingespoten, daarna wordt de prooi simpelweg leeg gezogen en blijft een omhulseltje achter. Als de spin geen honger heeft, zal zij toch de prooi inspinnen en verlammen. Zo maakt zij voedselpakketjes voor magere tijden.

Tegen het eind van de zomer bereiken de spinnen een behoorlijke omvang en in de herfst zien we dan overal de dagelijks vers gesponnen glinsterende webben, hoe groter de spin hoe groter het web. Het spinnen wordt mogelijk gemaakt door grote spintepels achter aan het lijf. Spinnen zitten heel anders in elkaar dan veel andere dieren. Boven de spintepel aan het achterlijf zit een spleet die toegang geeft tot de long (geen echte long, maar een buizenstelsel dat trachee genoemd wordt). De maag bevindt zich in het kopborststuk, dus niet in het grote achterlijf, en horen en ruiken doen spinnen met hun poten omdat daarop allerlei trilhaartjes zitten. Kruisspinnen hebben slechte ogen, maar concentreren zich op bewegingen van het web.
Na de eerste nachtvorst wordt het spinnenbestand danig uitgedund en midden in de winter zijn de meeste kruisspinnen dood of opgegeten door hongerige vogels.
Daarom zullen we in het voorjaar dus geen volwassen kruisspinnen tegenkomen.
De mannetjes blijven wat kleiner en vooral magerder dan de vrouwtjes.

Als hij een vrouwtjesspin in haar web heeft gelokaliseerd dan zal hij subtiel op een draad trommelen om haar op zijn aanwezigheid te attenderen. Als alle signalen door het vrouwtje worden begrepen zullen ze paren en daarna moet het mannetje zich snel uit de voeten maken. Het is zeker niet zo dat alle mannetjes direct na de paring door het vrouwtje worden opgegeten, maar als hij niet voorzichtig te werk gaat zal zij hem niet herkennen en gewoon als een prooi behandelen!
Het zal duidelijk zijn dat al die kruisspinnen bij elkaar heel wat vliegende insecten uit de lucht plukken en aan de andere kant voor veel vogels een mooie voedselbron vormen tot ver in de winter.