Tot nu toe is in deze reeks nog geen vis langs geweest en de karper lijkt mij een goede kandidaat om het spits af te bijten. Om karpers tegen te komen, hoef je alleen maar de Bijlmerweide in te lopen. In bijna alle vijvers zijn ze wel aanwezig, maar ze zijn niet altijd makkelijk te zien. De eerste keer dat ik de karpers gewaar werd, was op een warme dag in april. Twee meerkoetjes hadden een nestje gebouwd tegen wat riet en een overhangende tak. Plotseling doken er twee enorme karpers op, die luid klapperend dwars door dat nest gingen. Meerkoetjes in paniek natuurlijk, want het hele nest was zo goed als verdwenen.

Wat was er aan de hand? Hadden die karpers het op de meerkoeten voorzien? Brak er een gevecht uit? Nee hoor, ik was getuige van een wilde vrijpartij, waarbij de vissen substraat opzoeken om de eitjes tegen af te zetten en op dat moment was dat nest de dichtstbijzijnde mogelijkheid.
Die karpers vallen overigens nooit erg op, ze zwemmen rustig rond en wroeten voornamelijk in de bodem op zoek naar voedsel. Alleen tijdens warme dagen in de zomer hangen ze wel eens lusteloos dicht onder de oppervlakte in groepjes bij elkaar. Uitzondering is dus het voorjaar, tijdens die eerste warme dagen in april, mei of juni.

Als de watertemperatuur dan richting 20 graden gaat, spelen de hormonen op en jagen de mannetjes (nou: zeg maar rustig mannen) achter de vrouwtjes aan. Vaak zijn het meerdere mannetjes die achter één vrouwtje aanjagen en proberen haar met de bek in de flanken te raken. Na enige tijd zoekt het vrouwtje dan een bosje waterplanten op of riet of (zoals vaak in de vijvers van de Bijlmerweide) de algen tegen de beschoeiing en stoot een hoeveelheid eitjes uit. Het mannetje flappert op dat moment met zijn staart tegen haar flank en loost op vrijwel hetzelfde moment zijn sperma. (Bij vissen meestal hom genoemd). Dus beide partners lozen zaadcellen en eicellen los in het water. Die zaadcellen blijven hooguit enkele tientallen seconden in leven. De bevruchting moet dus snel gebeuren. De eitjes zijn erg kleverig en zullen gemakkelijk tussen of tegen de waterplanten, riet of algen blijven hangen.

Na enkele dagen, afhankelijk van de watertemperatuur, zullen de bevruchte eitjes uitkomen. Dan zwemt er korte tijd later een glasachtig larfje van enkele millimeters rond. Zoals bij alle vissen kan het larfje de eerste dagen teren op de dooierzak. Weer een paar dagen later begint het larfje zelf te eten.

Pas na twee of drie jaar stevig doorgroeien kunnen ze zelf gaan deelnemen aan de voortplanting. Niet allemaal natuurlijk! Zo'n volwassen karpervrouwtje produceert wel tienduizenden, soms zelfs honderdduizenden eitjes. Uiteraard vormen al die larfjes prima voer voor allerlei waterkevers, wantsen, libellarven en allerlei vissen.

Karpers kunnen behoorlijk groot worden, tot meer dan een meter en dan kunnen ze meer dan 30 kilo wegen. Het zijn echte alleseters. Al wroetend in de modder eten ze zowel plantaardige als dierlijke deeltjes. Dat is ook gelijk het nadeel als er veel van deze vissen in de vijvers rondzwemmen; ze maken er een enorme rotzooi van! Net als brasems trouwens.

De meesten van ons hebben wel eens goudvissen in een kom bezig gezien, eindeloos hapjes grind of zand in hun bek nemend op zoek naar eetbare deeltjes. In dat troebele water kunnen veel andere vissoorten zoals ruisvoorns, maar ook zichtjagers als snoeken, helaas niet leven.
Overigens zijn goudvissen géén directe familie van de karpers (Koikarpers wél). Een goudvis is een gekweekte kleurvariant van de giebel, die weer een neef is van de kroeskarper en die is weer een neef van de karper. Ook in Nederland (en in heel Europa) komen giebels voor, maar de goudvis is gekweekt uit de Aziatische (of oosterse) giebel.

Verder komen er meerdere karpersoorten voor in Nederland. Volgens Wikipedia vinden we in Noord-Holland vooral de boerenkarper en verder in de Nederlandse wateren ook verwilderde karpers en spiegelkarpers.
U moet maar eens aan een visser vragen welke soort hier bij ons rondzwemt, want ik zou u dat echt niet kunnen vertellen.