Ik zal zo’n jaar of tien geweest zijn toen ik voor mijn verjaardag van mijn vader een driedelig bamboe hengeltje kreeg. Dat was in de tijd dat Amsterdam nog rustig was, wist wie je buren waren, en van hangjongeren had nog niemand gehoord. Je speelde met vriendjes thuis, of zoals in mijn geval ging ik met de autopet naar (oud)Schiphol, om naar de vliegtuigen te kijken. Dat doe ik overigens nog steeds alleen zonder “pet”. Maar waarschijnlijk aangespoord door oom Piet (broer van vader) die zelf een verwoed visser was, kreeg ik dus de hengel. Van hem leerde ik om met haakjes van een korset en een klosje garen de lijm keurig op je hengel te monteren. Ook leerde hij mij het weerhaakje plat te knijpen want dat was vriendelijker voor de vissen, en de visser kon de gevangen jongen sneller van de haak halen.

Tevens leerde ik van hem dat vissers graag overdrijven, want altijd waren er de verhalen over de hoeveelheid gevangen vis, en vooral de grootte, aangegeven door een breed handgebaar met daarna de opmerking “ tussen mijn duimen door “ Met deze wetenschap ging ik op een mistige woensdagmiddag met wat schoolvrienden en een pak brood naar Havens West om te gaan vissen. Na enige tijd te hebben staren naar mijn bewegingsloze dobber, had een van mijn vrienden beet. Dat was spannend en een beetje jaloers ging ik bij hem kijken. Weer terug bij mijn hengel, die ik gewoon op de kant had laten liggen, zag ik dat mijn dobber ten onder was gegaan. Ik haalde op en daar hing een visje aan de haak zonder dat ik erbij was geweest. Thuis vertelde ik dat met trots, maar of ze me echt geloofden weet ik niet. En dat is op de dag van vandaag zo gebleven.

Inmiddels ben ik zestig jaar oud en in de zesentwintig jaar dat ik op Geerdinkhof woon gooi ik achter mijn huis nog regelmatig een hengeltje uit. Jawel, nog steeds de driedelige hengel van vader, alleen niet meer met dezelfde dobber, want in de loop der jaren heb ik heel wat te zware jongens aan de haak geslagen, waar ik een zware dobber aan had en deze dus heb verspeeld. Zo was er ook nog een buurman die met een dure werphengel naast mij kwam zitten. Hij kreeg geen stootje terwijl ik de ene na de andere aan de haak had. Het zit dus niet in de hengel maar in de visser. Ook het Havens West verhaal is mij hier overkomen. Even de hengel niet in de hand, en hopla met een enorme ruk aan de lijn verdween mijn hengel naar het midden van de plas. Omdat ik gehecht ben aan vaders hengeltje ben ik met mijn hernia in het koude water gedoken om de hengel er uit te “ vissen”. Dat was nog niet eenvoudig want tijdens deze zwempartij sloeg de haak in mijn voet , gloeiende …, maar gelukkig vis ik nog steeds zonder weerhaak. Mijn buurvrouw heeft hier trouwens een foto van genomen.

Afgelopen zomer (nou ja zomer?) was het echt raak. Ik weet inmiddels dat buiten mijzelf hier van alles zwemt. Vis in alle soorten en maten en zelfs ringslangen komen voorbij. Maar na een paar uur staren naar de dobber met af en toe wat leven en tikjes (zoals dat heet) ging in één keer de dobber onder. Ik haalde op en dacht eerst dat er een tak door de stroming over het haakje was gedreven, maar nee, er hing een enorme zwarte crab aan met lange poten die probeerde van de haak los te komen, wat hem gelukkig ook lukte. En dat alles gewoon met een pluimpie brood. Ik kan mij nu voorstellen dat u nu denkt ja ja, “visserslatijn” maar het is allemaal echt gebeurd.

Zwemmers u bent gewaarschuwd!

René Plemp