Voor het zesde artikeltje over dieren in en rond Geerdinkhof grabbel ik in het ruime aanbod aan vogels in onze wijk. Mede door de ligging aan het park “de Bijlmerweide” met allerlei watertjes, dicht struikgewas en hoge bomen kunnen we in onze tuinen allerlei vogelsoorten tegenkomen.
Een heel bekend vogeltje is natuurlijk de winterkoning (officiele naam: Troglodytes troglodytes), al vraag ik mij af hoeveel mensen dit beestje wel eens in het echt hebben gezien. Bewust en onbewust horen we hem regelmatig zingen (zoek bij Google maar eens met de term: vogelgeluiden) en dat doet hij het hele jaar door, dus ook buiten het broedseizoen en zelfs midden in de winter. Maar dit ongelofelijk kleine en snel vliegende vogeltje te zien krijgen is nog geen gemakkelijke opgave!

En dat komt niet omdat hij zo zeldzaam is; met meer dan 500.000 broedparen in Nederland is hij zelfs zeer algemeen. Daarbij komt dit vogeltje op bijna alle soorten terrein voor: in dichte bossen, duinen en ander half open terrein tot ver in stedelijk gebied en dus zeker ook in onze plantsoenen en tuinen, indien deze niet al te pijnlijk zijn aangeharkt natuurlijk.
Ons winterkoninkje is zeker geen typisch Nederlands verschijnsel. Deze soort vliegt rond in heel Europa en ook in grote delen van Afrika en Azië. Alleen in Noord- en Zuid- Amerika komen meerder soorten voor. Waarschijnlijk is ons winterkoninkje ooit eens de Beringstraat overgevlogen en bereikte zo ons continent.
Het is nog niet ons kleinste vogeltje; die eer gaat naar het Goudhaantje, die U wel eens in groepen kunt aantreffen in dennenbossen.
Zo’n klein vogeltje houdt zich graag op in dichte struiken en heggen en met name het winterkoninkje leeft ook nog eens dicht bij de grond, is zeer onrustig en vliegt razendsnel steeds kleine stukjes verder. Vaker doet hij denken aan een voorbij rennende muis dan aan een vogeltje!
Zoals U aan het spitse snaveltje kunt zien: een echte insecteneter. Daarbij kan hij niet kieskeurig zijn: dus vliegen ze achter vliegende insecten aan, maar spitten ze ook tussen afgevallen blad naar kevertjes, spinnetjes en slakjes. Aangezien het winterkoninkje een standvogel is, zal hij ook in de winter aan de kost moeten komen en dat is nu juist het zwakke punt: veel winterkoninkjes blijken het in de winter erg moeilijk te hebben! Tijdens een vorstperiode vallen ze bij bosjes en na een strenge winter kan de populatie zo maar gehalveerd zijn. Bij grote honger zullen ze wel eens meepikken aan wat kruimeltjes en zaden en bessen, maar dat blijft een noodgreep. Wel kunnen we hem een plezier doen met wat geraspte kaas. Strooi dat dan onder de struiken, want op de voedertafel istie niet snel te zien.
Gelukkig kan de populatie zich snel herstellen omdat er in een gunstig jaar wel drie nesten kunnen worden grootgebracht. Normaal bevat een nestje rond de zeven eitjes, maar dat kan oplopen tot meer dan het dubbele. Het vrouwtje broedt twee weken totdat de eitjes uitkomen. De kleintjes hebben het nest alweer verlaten voordat ze drie weken oud zijn. Kortom, in vijf weken is deze hele cyclus voltooid. Ze broeden vaak dicht bij de grond in een zelfgebouwd nestje tussen wat “rommel”. En zelfs met zo’n nestje direct naast uw schuurt of tegen de stapel haardhout, of achter de composthoop, zal het niet meevallen om het winterkoninkje te zien te krijgen.

Het mannetje bouwt soms wel twee of drie nesten en laat aan het vrouwtje de keuze. Die gaat haar favoriete huisje dan aan de binnenkant bekleden met veertjes en mos. Het kan ook gebeuren dat alle twee of drie gebouwde nestjes in gebruik worden genomen door verschillende vrouwtjes, dan moet dit mannetje zich wel de veren van het lijfje vliegen om alle twee of drie broedende vrouwtjes te voeren (en daarna al die kindertjes…)
Als U nu nagaat dat een gemiddeld vogeltje in een Nederlandse winternacht ongeveer 10% van zijn lichaamsgewicht verliest (omdat die lichaamstemperatuur op 40C gehouden moet worden) begrijpt u waarom iedere vogel ’s morgens vroeg al actief op zoek gaat naar voedsel. Zo’n klein winterkoninkje moet dus dagelijks een enorme hoeveelheid insecten verorberen om alleen al het eigen gewicht op peil te houden. 

Hierbij nog wat algemene wintervoedertips voor alle vogels:

  • Vogels eten twee maal per dag, het liefst 's ochtends en in de namiddag, voor ze elkaar opzoeken om de nacht door te brengen.
  • Geef niet te grote porties. Zet voor zo'n twee dagen voedsel buiten en bedenk dat ze in de herfst nog niet zo veel nodig hebben als in de winter, zeker wanneer het vriest of sneeuwt.
  • Overdadig voeren trekt muizen en ratten aan. In tuincentra zijn allerlei pindakorfjes, zaadkransen en voedersilo's te koop. Let op als je zelf restjes neerlegt: margarine werkt bij vogels als een laxeermiddel, geef niet teveel zout en snijd appels niet in stukjes omdat het dan gemakkelijker bevriest.
  • Sommige vogelsoorten hebben voedervoorkeuren. Mezen, sijsjes en spechten zijn gek op hangende vetblokken of voedersilo's waaraan ze bungelend kunnen eten. Ze peuteren liever minutenlang aan zaden en pinda's, dan rond te hippen op een voedertafel.
  • Hang daarom ook silo's op in een boom. Vul ze met kokosnoot, vogelzaad of zonnepitten. Ook inheemse boomklevers en boomkruipers zitten vaak in de tuin. Naast zaden houden ze ook van insecten en spinnen.
  • Een voederplek omgeven door struiken en bomen is voor dit type vogel perfect!
  • Tip: smeer een dennenappel vol (frituur)vet en stop er zaadjes en ongebrande nootjes in. Hang 'm op in een boom.
  • De spijsvertering van roodborstjes, heggemussen en winterkoninkjes is ingesteld op eiwitrijk voedsel. Daarom eten ze het liefst twee maal daags insecten, maar ze lusten ook een stukje oude kaas, of geraspte kaas.
  • Deze kleine vogeltjes hippen over de grond om voedsel te zoeken. Je kunt voor hen ook universeel voer met een hoog eiwitgehalte kopen, of ze meelwormen en maden voorzetten.
  • Mussen en hun soortgenoten zijn nogal schuw, altijd bedacht op rondsluipende katten en eten bij voorkeur op een zeer beschut, sneeuwvrij plekje, zoals de (overdekte) voedertafel.
  • Tip: ook etensresten (zonder zout!) of ongekookte havermout scoren goed. Vul een bordje en zet het op de tuintafel.
  • Een menu waarmee je aan de voorkeur van bijna alle vogels tegemoet komt, bestaat uit appel, vruchtvlees van de kokosnoot, vogelzaad voor buitenvogels, universeel voer voor insecteneters, ongebrande pinda's, zonnebloempitten, ongekookte havermout, brood, rozenbottels en bessen
  • Leuk en gemakkelijk om te maken is een vogeltaart. Laat frituurvet smelten, afkoelen en meng er vogelzaad en zonnepitten doorheen. Vul een springvorm met dit mengsel en laat het verder afkoelen.
  • Als je de taart uit de springvorm haalt, kun je hem versieren met zonnepitten, vogelzaad, bessen en ongebrande pinda's. Geen zin in? Er zijn ook kant-en-klare pindacakes in de smaken 'naturel', 'met zaad', en 'insecten' verkrijgbaar bij tuincentra.
  • In de winter zijn lege nestkastjes te gebruiken om in te slapen of te schuilen voor de kou. Schud 't oude nest eruit en maak de binnenkant even schoon met warm water.
  • De zogenaamde voederhuisjes met een dakje, houden het eten droog. Ook zijn er voederplateaus op een standaard, vooral handig met rondsluipende katten in de buurt.
  • Er is ook gaas of ijzerdraad om heen te spannen zodat het voor katten niet aantrekkelijk is om er tegen op te springen. Probeer voor zover mogelijk, de buurtkatten een belletje om te doen; vogels zijn dan gewaarschuwd.
  • Alle vogels zijn gek op water. Niet alleen om te drinken, ook om te badderen. Vooral lage, ondiepe schalen scoren goed. Als alle andere plassen, sloten en vijvers bevroren zijn, kunnen ze alleen in de tuin terecht.Tip: voer de vogels vanaf een plek die je goed kunt zien.