Op de eerste zonnige dagen in maart zijn ze direct al aanwezig: vlinders. De dagpauwoog, meestal ook het vosje en de citroenvlinder. Op die eerste voorjaarsdagen zijn er al een paar bloemen die voor nectar kunnen zorgen: krokusjes, longkruid (Pulmonaria), sleutelbloem (Primula), hondsdraf (Glechoma). De dagpauwoog heeft tot dit moment op een overwinterplek doorgebracht. In onze wijk zal dat gebeurd zijn in een spleetje bij de garagedeur, de schuur, onder een kozijn of een ander vorstvrij plaatsje. In de vrije natuur gebeurt dat in holle bomen of achter schors, in muizenholletjes of gaatjes in rotswanden en steenhopen.

Deze vroege voorjaarsvlinders stammen dus nog van de generatie die heeft gevlogen in het najaar. De meeste dagvlinders in onze streken vliegen in twee generaties per jaar. Verder naar het zuiden en in warme zomers ook wel drie generaties.
De vlinders die direct vliegen in het voorjaar hebben dus overwinterd en zullen na de eerste copulaties hun eitjes afzetten in april of mei. De rupsen die daaruit kruipen zorgen voor de volgende generatie(s) van dat jaar.
De dagpauwoog zal haar eitjes uitsluitend afzetten op de onderkant van brandnetelbladeren (de brandnetel noemen we dan de waardplant) in kleine hoopjes van ongeveer 50 eitjes. In totaal zo’n 1000 stuks. Deze eitjes lijken een beetje op een granaat; een tonnetje met een klein gaatje midden bovenop.
De rupsen zijn eerst groen en leven de eerste dagen in een gemeenschappelijk spinsel maar worden na iedere vervelling donkerder. Uiteindelijk zijn ze zwart met kleine witte puntjes. Ze komen soms zo massaal voor dat ze complete veldjes brandnetels helemaal kaalvreten.
De eerste generatie vliegt dus eigenlijk vanaf mei - juni, de tweede alweer vanaf juli - augustus. Bij gunstige omstandigheden verpopt de rups binnen een maand nadat hij uit het ei is gekropen. Het popstadium duurt ongeveer een week zodat de hele cyclus voltooid kan zijn in 5 weken.
Door deze enorme productie kunnen weinig vlinders toch voor veel nakomelingen zorgen. Zo kan de soort na een strenge winter met weinig overlevenden, of een slecht voorjaar met veel sterfte toch weer snel in aantal toenemen.

En niet onbelangrijk: in onze overbemeste omgeving (dat geldt voor meer delen van Noord-Europa) is de voedselplant sterk toegenomen. Brandnetels groeien namelijk massaal op stikstofrijke grond (nutrificierende planten). Dit is ook een van de redenen waarom een aantal vlindersoorten toenemen maar andere soorten het juist erg moeilijk hebben.
Blauwtjes bijvoorbeeld, maar ook veel andere vlindersoorten leggen vaak minder dan tweehonderd eitjes en hebben maar een generatie per jaar, daardoor herstellen zij minder snel na een slecht seizoen.

Daarnaast zijn ze erg honkvast en hebben niet het vermogen, zoals dagpauwogen, nieuwe gebieden te koloniseren. Daarom sterven veel vlindersoorten snel uit bij aantasting of verdwijning van hun leefgebied en hun waardplanten. Dat komt tegenwoordig op steeds grotere schaal voor en heeft al geleid tot een enorme verschraling van o.a. de insectenfauna.

Zoals de meeste dagvlinders spint de rups van de dagpauwoog geen cocon. De rupsen spinnen voor de verpopping eerst een wit kussentje waar zij zich met twee zuignapjes aan het puntje van het achterlijf op vastzetten. Daarna laten zich achterover vallen en blijven in deze positie 2 dagen hangen. Dan barst de huid op de rugzijde open en komt de pop te voorschijn. De nog zachte pop wringt zich met golfachtige bewegingen langzaam naar buiten. De rupsenhuid wordt daarbij afgestroopt. Hierbij moet de pop wel blijven hangen aan die zuignapjes en niet door al die bewegingen naar beneden kukelen! Dit is een kritieke situatie in het leven van de vlinder, maar meestal gaat het goed. Door een draaiende beweging van de pop valt de oude rupsenhuid op de grond.
Bij de dagpauwoog duurt de gedaanteverwisseling (oftewel de metamorfose) slechts twee weken.
Enkele dagen voor het uitkomen zijn de vleugels al te zien door de pophuid heen. Om uit de pophuid te komen klapt de jonge vlinder het onderste deel open. Na hooguit een paar minuten heeft de vlinder zich geheel bevrijd en blijft zij aan de pophuid of het takje hangen om de slappe vleugels met bloed op te pompen en ze te laten verharden om er mee te kunnen vliegen. Als het weer meezit (droog en zonnig) kan na ongeveer een uur de vlinder weg vliegen.
Dagpauwogen kunnen we bijna overal tegenkomen; wegbermen, bloemrijke graslanden, maar ook in parken en tuinen. Hij heeft dus geen specifieke voorkeur voor een bepaald leefgebied. Wanneer de vlinder zich bedreigd voelt opent hij zijn vleugels, waarbij de ogen op de ondervleugels zichtbaarworden, die dienen dus om vijanden af te schrikken. De vlinder is schuw en vliegt weg als een potentiële vijand dichterbij komt. De vleugels van veel dagvlinders raken snel beschadigd en oude vlinders kunnen er dan ook wat rafelig uitzien (dat wordt ook wel “afgevlogen” genoemd). Als we onze tuin hebben beplant met bloemen die vlinders trekken (kattestaart, zonneroosje, leverkruid, hemelsleutel en herfstaster) zullen we ook de komende maanden kunnen genieten van allerlei dagvlinders waaronder deze dagpauwogen.