Rondom Geerdinkhof zijn regelmatig roofvogels te zien. Niet zelden vliegen er buizerds in de omgeving en ook over onze wijk. En af en toe bezoekt een havik de Bijlmerweide. Een van de meest voorkomende roofvogels in ons land is de torenvalk en opvallend genoeg zien we die niet zo vaak in de buurt. Wel staan ze regelmatig te “bidden” boven snelwegbermen en weilanden in de omgeving.

Torenvalken zijn geen echte voedselspecialisten, maar jagen wel voornamelijk op veldmuizen. Als dat niet goed lukt zijn ze ook tevreden met grote insecten of een kleine vogeltjes, desalniettemin bestaat hun prooi voor 90% uit veldmuizen. Die kunnen ze vanaf grote hoogte waarnemen en zelfs urinesporen van muizen kunnen door de valken worden waargenomen.
Torenvalken jagen bij voorkeur op plaatsen met een opwaartse wind, dat vergemakkelijkt het bidden, dus tegen heuveltjes of dijken en natuurlijk de vaak hoge snelwegbermen.

Ze geven de voorkeur aan open landschappen zoals akkers en weilanden en natuurlijk die brede snelwegbermen. Vooral in het wat hogere gras komen veel muizen voor.
Er is zelfs een duidelijke correlatie tussen de valkenpopulatie en de veldmuizenpopulatie:
Wanneer er weinig muizen zijn vliegen er weinig jonge torenvalken uit, daardoor neemt de populatie af. Dus groeit de populatie veldmuizen. Het daaropvolgende voorjaar is er voldoende voedsel voor alle jonge torenvalken. Ze vliegen allemaal uit, dus groeit de populatie torenvalken weer. Het jaar daarna neemt het aantal muizen weer drastisch af door al die jagende (en nestelende) torenvalken en begint de cyclus weer opnieuw.

Torenvalken zijn zeker geen typisch Nederlands verschijnsel. De vogel is een standvogel en komt voor in heel Europa, Azie en Afrika met uitzondering van de Noord- en Zuidpool en de Sahara. In Nederland komen nog enkele valkensoorten voor, zoals de boomvalk, de slechtvalk en de Smelleken, maar deze zijn veel zeldzamer of alleen in de zomer te zien.
Torenvalken zijn niet echt mensenschuw. Als bewoners van vooral agrarisch landschap, zoeken ze ook nestgelegenheid rondom dorpen en soms zelfs in stadswijken. Ze broeden van oudsher in holtes in oude muren, ruines stallen, schuren kerktorens en soortgelijke plekken. Soms gebruiken ze ook andere bouwsels zoals oude nesten van eksters en kraaien, maar de laatste jaren zijn de speciaal voor hen opgehangen nestkasten het meest populair. In het voorjaar maakt het mannetje het vrouwtje het hof door hoog in de lucht, boven haar, rond te cirkelen, terwijl zij toekijkt vanaf een boomtak. Komt het tot broeden, dan is het voornamelijk een vrouwentaak. Elke paar dagen legt ze een ei in totaal meestal 4 of 5 stuks. Het broeden neemt zo’n 3 tot 4 weken in beslag. Terwijl zij op het nest bivakkeert jaagt hij en voorziet ook haar van voedsel. Ook nadat de jongen uit het ei zijn gekropen blijft zij voornamelijk op het nest en jaagt hij dapper door. De jongen vliegen uit na ongeveer 5 weken. Na het uitvliegen worden ze nog enkele weken gevoerd door de ouders, maar ondertussen leren ze ook zelf jagen. Het aantal broedparen in Nederland bedraagt ongeveer 6000. Dit aantal varieert natuurlijk met de veldmuizenstand. Daarmee is de torenvalk geen zeldzame verschijning in ons land.