Meestal zijn hommels de eerste insecten die we in het voorjaar tegenkomen, vaak al in februari. De temperatuur hoeft maar richting de 10 graden te gaan en de eerste hommels vliegen al uit. Er zijn nog maar weinig bloemen, zo vroeg in het voorjaar. Meestal fourageren ze op viooltjes, krokussen of sneeuwklokjes. In mijn tuin bloeit vanaf februari een flinke gaspeldoorn (Ulex), een mimosa-boom (Acacia dealbata) en meestal ook longkruid (Pulmonaria) en kerstroos (Helleboris). Ook op deze bloemen zijn vaak al vroeg in het jaar hommels te zien.

Hommels kunnen namelijk beter tegen de kou dan bijen, wespen of andere insecten. Voornamelijk omdat ze een dikke jas aan hebben en dus beter geisoleerd zijn. Net als een aantal andere insecten wekken ze ook nog hun eigen warmte op, maar hommels doen dat heel effectief. Met hun vleugelspieren kunnen ze, door snelle bewegingen, warmte opwekken in hun lichaam.
Hommels zijn naaste familie van de honingbij en ze leiden in veel opzichten hetzelfde leven. Ook zij leven in kolonies en maken onderscheid tussen koninginnen, werksters en mannetjes.
In het vroege voorjaar vliegen er alleen koninginnen rond. Ze verzamelen nectar, maar zoeken ondertussen ook een geschikt holletje om hun eigen volk te starten. Een hommelnest is vaak een gaatje in de grond of een holte onder een boomstam of tegel. De kolonies zijn echter veel minder omvangrijk dan de kolonies van honingbijen. Meestal niet meer dan 100 tot 150 individuen. Veel bijenvolkeren bevatten duizenden dieren. Als de hommelkoningin voldoende voedsel (nectar) en stuifmeel heeft verzameld in haar holletje legt ze eitjes in zelf geknede stuifmeelballetjes. Na het leggen van de eitjes gaat ze zo’n 5 dagen de deur niet meer uit om het legsel warm te houden.
Zodra de larfjes uit het ei zijn gekropen moet de koningin er weer op uit om voedsel te verzamelen voor haar kinderen. Gelukkig zijn ze na een week al volgroeid en gaan ze zich verpoppen. Dan legt de koningin de volgende serie eitjes. Wanneer die uitkomen begint de koningin weer voedsel aan te dragen, maar binnen enkele dagen krijgt ze hulp van de uitkomende eerste generatie hommels; de werksters.

In tegenstelling tot de bijen, gaat de ene hommel de andere niet vertellen waar er voedsel is te vinden, ieder zoekt dus z’n eigen nectarvoorraad op. Ook blijken hommels onderling in grootte te verschillen. Dat komt door verschillen in voedsel en temperatuur tijdens hun ontwikkeling.Als al die werksters regelmatig voedsel gaan aandragen hoeft de koningin er niet meer op uit en gaat ze alleen nog het broed verwarmen en de larfjes voeren. En natuurlijk nieuwe eitjes produceren. Zo groeit de kolonie in enkele weken flink uit. Wanneer de kolonie groot genoeg is gaat ze alleen nog onbevruchte eitjes produceren waaruit mannetjes zullen ontstaan. Als na enige weken de mannetjes uitvliegen zullen ze geursporen uitzetten naar de bloem waarin ze zich ophouden. ’s Nachts keren ze niet terug naar het nest, maar leiden een zwervend bestaan. Ondertussen in het hommelnest (het is dan hoog zomer) is zoveel voedsel verzameld door al die werksters dat de larfjes het stukken beter hebben dan de vorige genera-ties. O.a. door het vele voedsel ontstaan uit deze gene-ratie de nieuwe koninginnen. Wanneer zij uitvliegen is het al najaar en hebben ze zelfs al een vetvoorraad aangelegd. Ze zullen vroeg of laat zo’n geurspoor van een mannetje oppikken. Als er een paring volgt en de nieuwe koningin is bevrucht dan zal ze een overwinter-plek opzoeken en het volgende jaar een eigen kolonie stichten.
In de ‘oude’ kolonie zal meestal ruzie uitbreken als de werksters ouder worden en ook eitjes gaan leggen en de koningin te oud wordt om de zaak nog te bestieren. Zo’n hommelvolk bestaat dus eigenlijk maar 1 seizoen.Hommels zijn heel belangrijk bij de bestuiving van allerlei bloemen en bloesem in de fruitteelt. Tijdens hun vlucht raken de hommels elektrostatisch geladen waardoor de stuifmeelkorreltjes goed tegen hun vacht blijven kleven. Zodra ze in een nieuwe bloem komt springen die korreltjes weer terug, ook tegen de stempel van die bloem natuurlijk.
De hommel verzamelt niet alleen nectar (met behulp van een lange dikke tong) maar ook een deel van het stuif-meel, dat ze bewaart in mandjes aan haar achterpoten, die kun je met het blote oog gemakkelijk zien zitten als gele balletjes. De meeste hommels hebben ook stevige kaken, waarmee ze gaatjes in bloemen bijten om er bijvoorbeeld vanaf de achterzijde honing uit te zuigen.
Hommels worden tegenwoordig ook ingezet als bestuivers in kassen. Tuinders kunnen zelfs hommelko-ninginnen kopen voor dat doel. Compleet met nestkasten om een eigen volk te starten in de kas. Ze zijn ijverig en kunnen veel bloemen per dier aan, ook op koude dagen. Een erg praktische bijkomstigheid is het feit dat ze elkaar niet kunnen vertellen waar er bloemen zijn te vinden. Als een hommel dus nectar verzamelt buiten de kas zullen de anderen niet massaal volgen, zoals honingbijen dat wel doen! Heel nuttige diertjes dus. Overigens kunnen ze wel degelijk steken (behalve de mannetjes) maar doen dat pas als de situatie echt penibel wordt.

Op internet vond ik nog allerlei interessante cijfers:

  • Een hommel kan wel 0,2ml honing verzamelen
  • Daarvoor moet ze wel zo’n 100 bloemen bezoeken, waarvan iets meer dan de helft ook daadwerkelijk honing bevat.
  • In Europa leven enkele tientallen soorten hommels, vooral in de noordelijke delen.
  • Wereldwijd bestaan er ongeveer 300 soorten, maar in de tropen komen ze haast niet voor.
  • De meest voorkomende soorten in onze omgeving zijn de aardhommel, boomhommel, steenhommel, weidehommel en akkerhommel.

Heeft U in de tuin al veel bloemen staan die vlinders aantrekken dan zullen ook allerlei soorten hommels massaal toestromen.