De maand mei is bij uitstek de maand van de insecten. Allerlei soorten vlinders en kevers kruipen uit hun pop en vliegen uit op zoek naar voedsel en partners. Veel soorten zijn vorig jaar zomer uit het ei gekropen en in de loop van het najaar verpopt. De kou vertraagt de ontwikkeling en in de loop van de winter gebeurt er bijna niets. Als de temperatuur dan weer gaat stijgen, in maart en april, gaat de ontwikkeling in de pop door en meestal in april vliegen de vroege soorten alweer rond. Er zijn ook insecten die overwinteren als imago (dat is het eindstadium zoals wij de insecten meestal tegenkomen); zij vliegen of kruipen uiteraard nog vroeger rond, bij de eerste zonnestralen in maart.

Deze cyclus volgen ook de libellen. Er zijn in Nederland twee soorten die (als volwassen insect) bovengronds overwinteren, de andere overwinteren onder water als eitje of als larve. Dat laatste is de meest voorkomende variant. In het voorjaar of de zomer kruipen de larven van libellen 's ochtends vroeg tegen een stengel uit het water omhoog en wurmen zich uit hun oude “huid” (eigenlijk: hun skelet). Dan komt de libel te voorschijn zoals wij die kennen. Hij pompt zijn vleugels op (die zaten eerst nog helemaal opgevouwen), laat zich opdrogen en afhankelijk van de temperatuur vlieg hij een uurtje later weg.
Uiteraard waren de afgelopen warme weken er debet aan dat er al vroeg allerlei soorten rondvlogen. Net als bij vlinders leven libellen maar enkele weken (soms enkele maanden) als volwassen dier. In het larvestadium kruipen ze als gemene engerds door de vijver, voorzien van grote ogen en enorme kaken. Ze hebben een enorme eetlust en jagen op alles wat beweegt: kikkervisjes, visjes en andere insecten. Ze groeien echter maar langzaam en hebben meestal ruim een jaar nodig om dit stadium te beëindigen. 

Al ze eenmaal rondvliegen zetten ze die leefwijze gewoon voort. Wel hebben ze dan vaak prachtige kleuren, van glanzend staalblauw en groen tot geel en vuurrood. Altijd voorzien van doorzichtige, bij de grote libellen breed uitstaande, vleugels en twee enorme ogen op de kop. Deze ogen bestaan ieder uit duizenden of tienduizenden facetten. Met hun poten grijpen ze in de vlucht andere insecten en peuzelen die al vliegend of zittend op een takje op. De paardenbijter (een groenblauwe libel) is een algemene soort, erg onderzoekend en die vliegt zodoende nog wel eens een huis binnen, waarna hij met veel gefladder tegen de ramen aanvliegt.  Als een mannetje een vrouwtje heeft veroverd zal hij haar stevig vastklemmen met de tang aan het uiteinde van zijn lichaam. De paring verloopt op een heel buitengewone manier, omdat het mannetje z'n sperma heeft verplaatst naar de voorkant van z'n achterlijf. Het vrouwtje moet haar achterlijf dus helemaal naar voren buigen om erbij te kunnen. Hun twee lichamen vormen dan samen een “cirkel”. Na de paring zal het wijfje eitjes gaan afzetten. Dat kan op allerlei manieren, meestal in het water, maar op z'n minst er vlakbij.

Opvallend is dat het mannetje vaak het vrouwtje blijft vastklemmen als zij eitjes gaat afzetten. Bij andere soorten zal het mannetje dicht in de buurt blijven. Waarschijnlijk willen zij er op die manier zeker van zijn dat hun eigen genen worden verspreid en niet die van een concurrent. Libellen zijn een goede indicator voor de staat van het gebied of het water waar ze voorkomen. Sommige soorten zijn niet erg kieskeurig in biotoopkeuze of voor waterkwaliteit. Andere soorten stellen zeer specifieke eisen. Aan de hand van de aanwezige libellesoorten kunnen dus vaak verregaande conclusies getrokken worden over de staat van een natuurgebied of de waterkwaliteit van bepaalde vennen en moerassen.

Overigens zijn waterjuffers ook libellen. Ze verschillen echter van de grote libellen doordat ze hun vleugels boven of langs hun achterlijf kunnen vouwen. De grote libellen hebben hun vleugels altijd, zoals op deze laatste foto te zien is, paarsgewijs uitgespreid staan. De waterjuffers zijn meestal veel slanker en maken een tere indruk. Heel vaak tref je ze aan terwijl ze op een rietstengel zitten, of een blaadje boven het wateroppervlak. Hun levenswijze is echter exact hetzelfde; ze vangen ook insecten in de vlucht en produceren ook larven die zeer vraatzuchtig zijn.
In Nederland komen een kleine zeventig soorten libellen voor en er bestaan libellen­verenigingen, libellengidsen en zelfs kun je libellenreisjes boeken met gelijkgestemden. Libellen bevinden zich zo’n beetje in het midden van de voedselketen. Zelf zijn het geduchte rovers, maar ze worden ook graag gegeten door allerlei dieren zoals kikkers en hagedissen, maar vooral vogels. Kwikstaarten en veel andere insectenetende vogels (en zeker de boomvalk!) zijn echte libelleneters!
De fotootjes bij dit stukje heb ik gemaakt bij mijn tuinvijvertje. Met wat geduld kon ik de eiafzet van de waterjuffers goed fotograferen.