In deze rubriek komen allerlei dieren voorbij die in en rond Geerdinkhof aangetroffen kunnen worden. Dit keer koos ik weer eens voor een insect en ik werd op het idee gebracht door Wouter van Rennes die mij een foto stuurde met de vraag: wat is dit?

Fauna kolibrie-1

Zoals u al uit de titel kon opmaken betrof het een kolibrievlinder. Een insect dat officieel niet als zeldzaam bekendstaat maar toch niet vaak wordt gezien. En dat is niet zo gek; iedereen kent wel het koolwitje, de zwarte admiraalvlinder, het citroentje of het vosje. Vrolijke fladderaars die opzichtig van bloem naar bloem vliegen en regelmatig rustig hun vleugels spreiden om op te warmen (de vleugels kunt u eigenlijk zien als zonnepanelen waarmee deze diertjes deels hun energie opdoen).

Maar de kolibrievlinder is van een geheel ander kaliber en helemaal niet te vergelijken met deze vlinders. Het is een vertegenwoordiger van de pijlstaartfamilie. Dat zijn allemaal nachtvlinders met behoorlijke afmetingen. Binnen deze familie is de kolibrievlinder een van de kleinere, met een spanwijdte van tegen de vijf centimeter. De lichamen van deze zware, wat logge vlinders kunnen wel duimdik zijn, maar dat compenseren ze met grote vleugels die enorm snel bewegen. Daar heeft de kolibrievlinder zijn naam aan te danken, maar al zijn pijlstaartfamilieleden bewegen zich op die manier. In tegenstelling tot deze familieleden is de kolibrievlinder echter een dagactieve soort. Als u ooit een kolibrie heeft zien vliegen rond bloemen, dan snapt u waar de naam vandaan komt. Het insect staat heftig klapwiekend (tachtig vleugelslagen per seconde!) stil voor een bloem en zuigt met zijn enorm lange roltong de nectar uit de bloemen. Ze zijn niet erg kieskeurig; alle bloemen worden bezocht. Uiteraard hebben ze heel veel honing nodig omdat ze heel veel energie verbruiken. Een langsvliegende pijlstaartvlinder kun je ook horen: een zoemend of snorrend geluid.
Een oude naam is de meekrapvlinder, omdat ze eitjes afzetten op meekrap, een vroeger veel voorkomende plant in agrarische gebieden. Ze hebben nóg een naam: onrust of onrustvlinder. Goed gekozen, want de vlinder is inderdaad enorm onrustig en vliegt constant van bloem naar bloem, zonder een moment van rust. Ze zullen nooit op de bloem plaatsnemen om rustig de honing te nuttigen.


Zoals eerder vermeld, behoort deze soort tot de familie van de pijlstaarten. Die naam heeft niets te maken met de vlinders, maar met de rupsen van deze familie. Die dragen namelijk allemaal een duidelijke stekel achter op hun rug. De rups van de kolibrievlinder is een van de kleinere pijlstaartrupsen. Een groenig beestje met een witte lengtestreep op de flank en maximaal vijf centimeter lang. Na drie weken flink dooreten gaat de rups verpoppen en dat doet ze onder de grond. Het aparte verhaal van deze vlinder begint eigenlijk hier.
De pop kan hier namelijk helemaal niet overwinteren, omdat het simpelweg te koud wordt. Ook een kolibrievlinder zal hier zelden kunnen overwinteren. Deze vlinders horen thuis in Zuid- Europa en Noord- Afrika en zwermen in de loop van de zomer uit naar noordelijke streken zoals ons land. Meestal worden ze hier pas gezien tegen het einde van de zomer. Daarom is deze waarneming, half juni, best uitzonderlijk. Waarschijnlijk het gevolg van een warm voorjaar. De vlinders laten zich al vliegend meenemen met de zuidelijke winden en zo komen ze steeds noordelijker terecht.
Eenmaal hier aangekomen, zullen ze gewoon paren en eitjes afzetten (bij voorkeur op walstro of meekrap). De rupsen doen het natuurlijk prima en zullen na drie weken verpoppen en dan eindigt het verhaal al weer. Het is namelijk oktober geworden en dus veel te koud voor dit diertje. We zijn in onze streken afhankelijk van jaarlijks verse aanvoer vanuit Zuid-Europa. Maar als ze nu, in juni, al zijn aangekomen is er een goede kans dat van deze generatie de voortplanting wel eens succesvol kan zijn. Dan kunnen de eerste nakomelingen al in augustus uit de pop tevoorschijn komen. De vlinders vliegen dan nog enkele maanden en waarschijnlijk zullen ze hier letterlijk sterven van de kou, bij de eerste nachtvorsten. Maar als ze een goede plek vinden in een schuur of ander bouwwerk en beleven we een winter zoals de laatste, dan kun je ze volgend voorjaar zelfs heel vroeg al tegenkomen

.Fauna kolibrie-2

Uiteraard hebben alle vlinders veel vijanden. De kleurrijke dagvlinders worden graag gegeten door al die lieve tuinvogeltjes zoals mezen, mussen, merels en roodborstjes. Maar dat ligt ook weer anders voor de kolibrievlinder (en alle nachtvlinders). De kolibrievlinder zal meestal te snel en te wendbaar zijn voor de meeste vogels, maar misschien kunnen ze de insecten overmeesteren als zij ze slapend tegenkomen onder een blad of tegen een tak.
Nee, het grootste gevaar lopen niet de vlinders, maar de rupsen! Overal zijn sluipwespen en sluipvliegen en die beschikken over een lange injectienaald waarmee ze vaak maar één eitje in de rups injecteren. Zodra de larf het eitje verlaat begint die gewoon de rups van binnenuit op te eten... Soms komt de rups nog tot verpoppen, maar dan zal de wespenlarf zich gewoon door de pop een weg naar buiten vreten en aan de buitenkant rustig zelf verpoppen. Er zijn allerlei soorten sluipwespen, vaak injecteren ze ook meerdere eitjes in één rups en dan vind je later een volledig leeg gevreten vel met aan de buitenkant al de poppen van de toekomstige sluipwespen.
Nog geraffineerder zijn de soorten die de rups eerst met een steek verlammen en hem vervolgens verslepen naar een eerder gegraven holletje in de grond. Nadat de verlamde rups in het holletje is geduwd, wordt er één eitje op gedeponeerd. Dat larfje kan dan naar hartelust de hele rups in z'n eentje opeten in zijn privé-huisje onder de grond. Jaja, de natuur is gruwelijk!

Dus geef uw ogen goed de kost komende weken; grote kans dat u zelf ook de kolibrievlinder rond uw bloemen in de tuin ziet zwermen.
Voor het geval de foto's in zwart-wit worden afgedrukt: de ondervleugels van deze vlinders zijn prachtig oranje en goed te zien tijdens het vliegen. Zodra ze gaan zitten verdwijnen ze onder de grauwgrijze bovenvleugels en zijn ze nog maar heel moeilijk te ontdekken.

Een warme zomer gewenst,
Ruud Wolterman