Eens in de zoveel jaar duikt het onderwerp op: grond wa teroverlast in Geerdinkhof. Dat leidt tot onrust onder bewoners en tot initiatieven om het probleem te beheersen. Maar wanneer is grondwater nu eigenlijk een probleem? En wat kun je eraan doen? Peter Kaskens, Geerdinkhoffer van het eerste uur, heeft ook in zijn werk veel met grondwaterpro blematiek te maken gehad. Hij licht het onderwerp toe.

Een kleine dertig jaar geleden deed het probleem zich het eerst voor. Dat leidde snel tot actie: er werd een ‘grondwatercomité’ opgericht om gezamenlijk de (buurt)proble men te lijf te gaan. Dit comité werd de voorloper van de Vereniging van huiseigenaren Groot Geerdinkhof. Een van de maatregelen was een grondwaterenquête in februari 1981, waarbij elke bewoner werd verzocht de mate van wateroverlast in de kruipruimte op te meten. Ook kwam er een onderzoek door der den naar de watersamenstelling om te zien of het verontreinigd was, en of het om grondwater ging of om oppervlaktewater (regenwater) dat zich niet had vermengd met het grondwater. De uitkomst was dat het ging om grondwater (zie kader). Er werden hier en daar drains geplaatst en enkele nieuwe huizen blokken wer den op een hoger peil aangelegd.

Wat is grondwater?

Het ondergrondse water kent twee hoofdgroepen: het water in de bo ven liggende, onverzadigde zone is het bodemvocht en het water in de daaronder liggende, verzadigde zone vormt het eigenlijke grond water. In de verzadigde zone zijn alle holten, poriën en spleten gevuld met water, zodat het water met de grond een samenhangend lichaam vormt.
De bovenste begrenzing van het grondwater wordt gevormd door de grondwaterspiegel of het freatisch vlak. Dit vlak verbindt alle vrije waterspiegels in de buurt en de druk is gelijk aan de atmosferische druk. Bij verhogingen in het landschap gaat ook de grondwaterspiegel mee omhoog en volgt dus de contouren van het landschap, bijvoorbeeld bij dijklichamen. De spiegel fluctueert verder onder invloed van neerslag, verdamping, wateronttrekking door vegetatie, bodemdoorlaatbaarheid en eventuele kunstmatige beïn vloeding door drainage. Vooral bij duidelijke verschillen tussen neerslagrijke en droge perioden treden korter en langer durende fluctuaties in het peil van het grondwater op. Het bodemvocht bevindt zich dus boven de grond waterspiegel. Dit vocht vult niet meer volledig de grondporiën. We noemen dit ook wel het capillaire water.
Het grondwater wordt voor een belangrijk deel gevoed door regen water (meteorisch water) dat in de bodem infiltreert en door inzijging van oppervlaktewater vanuit de aanwezige waterreservoirs.

Doorlaatbaarheid van de grond

Wateroverlast kan worden veroor zaakt door onvoldoende doorlaat baarheid van de grond. Voor het bouwrijp maken van laaggelegen polders, zoals destijds de Bijlmer meer, wordt eerst een zandlaag opgespoten. Bij ons is dit gebeurd tussen 1964 en 1966. Tijdens week enden en haperingen in de aanvoer ligt dit werk stil. Soms komt er dan slib boven drijven en vult de zand poriën op. Bij elke nieuw opgespo ten laag doet zich hetzelfde feno meen voor. Door deze gelaagdheid kan de verticale doorlaatbaarheid sterk afnemen. Bij verschillende op elkaar aansluitende laagdiktes kan ook de horizontale doorlaatbaarheid afnemen. Deze doorlatendheid (permeabiliteit) van de watervoe rende laag is van groot belang voor de afvoer van regenwater naar de ons omringende waterbekkens. Die sliblaagjes behoren opengebroken te worden, maar dat is hier niet gebeurd. De slecht doorlaatbare laag in Geerdinkhof op ongeveer één meter diepte is daardoor berucht.

Afstand tot de waterbekkens

Hoe verder je huis van het opper vlaktewater (de waterbekkens) verwijderd is, hoe hoger de grond waterspiegel komt. Dit wordt ook wel het ‘verhang’ genoemd. Daar door kan meer water(overlast) in de kruipruimte voorkomen, zeker in combinatie met de slechte doorlaat baarheid van de grond. Bij de en quête in 1981 werd dit verschijnsel al geconstateerd.
Uiteraard mag het oppervlaktewater dan niet te veel stijgen en zeker niet in een polder. Polders worden dan ook altijd afgemalen om het water oppervlak op een bepaald niveau te houden. Het (zomer)peil van ons deel van de Bijlmerpolder wordt gehouden op 4,20 m ÷ NAP (Nieuw Amsterdams Peil). Ter vergelijking: het stadspeil ligt in Amsterdam gemiddeld op 0,40 m÷ NAP. Dit komt overeen met het waterpeil van de Weespertrekvaart.

Peilfilters meten de grondwaterstand

Op de kruising van het Ganzenhoef pad en de Geerdinkhofweg staat een geel paaltje, waarvan de kap kan worden gelicht en waaronder een peilbuis zit.
Voor het meten van de grondwater stand worden door de hele stad heen peilfilters gebruikt; die worden meerdere keren per jaar uitgelezen. Van elk peilfilter kan zo de hoogste en laagste stand worden bepaald, en het gemiddelde. Om een beeld van de grondwaterstand op Geer dinkhof te krijgen worden vijf peilfil ters aangehouden: drie aan de Geerdinkhofweg, een op het Gan zen hoefpad en een bij de bunga lows, waar veel wateroverlast werd gerapporteerd. Daar zijn tussen 1985 en 1987 nog extra peilfilters aangebracht. Van deze laatste zijn toen geen significante verschillen met de overige peilfilters gevonden. Vermoedelijk waren de bungalows op een lager peil gebouwd dan de rest van de huizen. Een duidelijk verschil in grondwaterstand werd echter wel gevonden met het peil filter onder aan het talud van de (toen nog hoge) dreef. Door de invloed van een dijklichaam kan de grondwaterstand daar hoger liggen.

Oorzaken vanuit de huizenbouw

De vraag of er sprake is van water overlast hangt ook af van de wijze waarop de huizenbouw tot stand is gekomen. Daar niet alle oude bouw plannen meer voorhanden zijn, zijn de hoogtematen ten opzichte van NAP moeilijk te achterhalen, maar wel noodzakelijk om een gedegen oordeel te vellen als iemand water overlast ondervindt. Indien echt noodzakelijk kunnen de hoogtema ten door een gespecialiseerd bureau worden opgemeten.
De kruipruimtes zoals die bij ons onder de huizen zijn aangebracht, variëren in hoogte tussen 0,40 m en 1,00 m (zie tekening). Het mag dui delijk zijn dat hoe dieper de kruip ruimte steekt, des te eerder grond water kan worden aangetroffen. Dit maakt het begrip overlast wel relatief.
Tijdens een forse regenbui of een lange regenperiode kan zich een tijdelijke ophoping van regenwater voordoen. De grondwaterspiegel komt daardoor hoger en mogelijk boven het niveau van de kruipvloer. Bij een kruipruimte van 1,00 m diep waarin 0,40 m water staat ervaren we dit als overlast, terwijl in hetzelf de blok met een kruipruimte van 0,40 m diep onder dezelfde omstan digheden hooguit sprake is van een vochtige kruipvloer. Deze vochtig heid wordt veroorzaakt door het capillaire water. Je kunt dan rustig stellen dat tijdens de bouw onvol doen de zand in de kruipruimte is aangebracht.

Hoe worden maten bepaald?

Bij de aanleg van bouwblokken worden de NAP-maten afgemeten van zogenoemde meetbouten. Deze bevinden zich op vaste pun ten in het landschap. Met behulp van deze meetbouten worden straatpeil, leidingen, rioolbuizen enzovoort vastgelegd. Die meet bou ten zijn aangebracht op vaste punten in het landschap, bijvoor beeld aan bruggen. Zo bevindt zich op het meest noordwestelijk gele gen bruggetje van Geerdinkhof (brugnr. 1127) een bout met num mer 45980002. (Bij deze bout hoort een maat van 2,475 m ÷ NAP, bo ven kant bout).
Op deze wijze is ook de vloerhoog te van de woningen op Geerdinkhof bepaald. Deze hoogte wordt offici eel in de bouwtekeningen aange duid met de term ‘peil’: dat is de bovenkant van de beganegrond vloer inclusief afwerking. Gebruikelijk in die tijd (de jaren ze ventig) was dat deze 0,20 m boven het straatpeil kwam te liggen (te gen woordig 0,10 m). Dat straatpeil ligt vermoedelijk op 0,80 m tot 1,00 m boven het voor deze polder aan gehouden grondwaterpeil, dat dus in NAP wordt aangegeven.

Bodemdaling en verdampingsoppervlak

De meeste woningen in Geerdinkhof zijn gebouwd tussen 1975 en 1982, behalve de ‘gele huizen’, die van later datum zijn. Zoals velen zich zullen herinneren, is tijdens de her bestrating van 2002 de grond op gehoogd. Dit was nodig omdat de onderliggende veenlaag verder was ingedrukt door de destijds opge spoten zandlaag. Dit is dus een doorgaand proces, want bij elke ophoging komt er meer gewicht op de onderliggende veenlaag, waar door deze weer sneller inzakt. Ook de vloeren van de kruipruimte zijn gezakt, waardoor ook meer water zichtbaar kan worden.
Tijdens de herbestrating is een kaalslag in de begroeiing gepleegd en zijn er bomen verdwenen. Ook speelt mee de verhouding tussen verhard/bebouwd en onverhard oppervlak. In de loop der jaren heb ben veel bewoners hun tuinen gedeel telijk bestraat. Het verdam pings oppervlak neemt daardoor sterk af, terwijl de hoeveelheid hemelwater gelijk blijft.
Over het algemeen wordt de grond waterstand op een zo hoog mogelijk (aanvaardbaar) peil gehouden om grondzakkingen te voorkomen. (In grote delen van de stad is men zelfs blij met een hoge grondwaterstand, waardoor de houten palen onder water blijven en houtaantasting uitblijft.) Mede daardoor steekt het probleem van tijd tot tijd de kop op.

Voorkomen van grondwateroverlast

Gelukkig zijn er allerlei mogelijkhe den om grondwateroverlast tegen te gaan:
Het aanbrengen van grote bo men rijen en zware groenstroken. Deze doorbreken de slecht door laatbare grond en verhogen het verdampingsoppervlak. Eventueel bestrating vervangen door een vou dig groen, waarvoor weinig onderhoud nodig is.
Het aanleggen van drains. Deze dienen geregeld doorgespoeld te worden daar anders de werking terugloopt. Het aanleggen van extra water bekkens. Hier tegen bestaat vaak de nodige weerstand. Bij de aan leg van Nieuw-Grunder is een nieuwe sloot aangelegd, die een meanderende uitloop krijgt naar de Bijlmerweide-Noord (zie foto en kaartje).
Het gedogen van enig grondwater binnen redelijke grenzen en van tijdelijke aard. De gemeente te vragen grondver betering toe te passen of onder zoek te doen naar een versnelde afvoer. Bij diepe kruipruimtes: het opho gen met schoon zand of andere geschikte materialen.

Peter Kaskens
Geerdinkhof 516


Bronnen o.a.:
Grondmechanika (Colijn en Potma)
Grondmechanika (V.d.Veen, Horvat en Van Kooperen)
Winckler Prins

Cijfers en metingen, alsmede de situaties, liggen bij Peter Kaskens ter inzage. Dit geldt ook voor oude polderkaarten en oude waterlopen.