Peter en Joke zijn samen, maar vertellen elk hun eigen verhaal. Peter begint.

Wonen peter en joke van beekNa het aannemen van een nieuwe baan, in 1985 bij het VU medisch Centrum, moest ik snel verhuizen in Amsterdam, want mijn toenmalige woning was van het Antonie van Leeuwenhoek-ziekenhuis. Dus binnen een paar maanden een woning zoeken in Amsterdam, was voor mij de opdracht. Mijn oog viel op een advertentie van woningbouwvereniging 'Nieuw Amsterdam'. Na het bekijken van de flat in Gravenstein (de gerenoveerde Gliphoeve) was ik om: ruim, goedkoop en vlak bij het winkelcentrum, plus openbaar vervoer dichtbij.

Ik had toen nog niet gekeken aan de andere kant van de metrolijn. Volgens mij hield de wereld daar op! Maar eind 1988, in de aanloop naar de deelraadsverkiezingen, werd ik gevraagd om mee te helpen met de oprichting van een lokale afdeling van een politieke partij in Amsterdam-Zuidoost. Op een avond zouden de nummer twee van de lijst, Joke van den Bosch, en ik in Gouden Leeuw in een politiek paneldebat de partijstandpunten eens duidelijk maken aan de kiezer. Plotseling bleken voor mij de mensen die vragen stelden niet van belang, maar bleek het te gaan om háár standpunt: van groen blijf je af. Het ging toen om een van de eerste pogingen van het stadsdeel om onze Bijlmerweide (na tweeëntwintig jaar mag ik het ook 'onze' noemen) onder een lelijke laag stenen en asfalt te doen verdwijnen.

Joke en ik zijn nu alweer achttien jaar getrouwd en wonen in Geerdinkhof. Ik ben blij met onze woning. Hij is ruim en daardoor zijn er veel plekken om je te uit te leven in hobby's, of om gezellig op het dakterras te genieten van de warmte. In navolging van onze wens tot woninguitbreiding zijn er inmiddels ongeveer vijftig woningen voorzien van een dakopbouw. Na twintig jaar werken in het VU Medisch Centrum heb ik sinds vijf jaar een WAO-uitkering. Maar ik ben er de man niet naar om me terug te trekken en ben al sinds een aantal jaren als vrijwilliger bezig in de functie van vakbondsconsulent eerste lijn bij de ABVAKABO-FNV en ben ook lid van de Cliëntenraad van het UWV. Tevens doe ik nog wat dingen bij de Protestantse Gemeente Bijlmermeer. Daar bevalt me onder meer het zingen in de cantorij (koorzang) steeds beter; dit doe ik samen met Joke, mijn vrouw en vriendin.

Joke: Zuidoost is boeiend als deel van Amsterdam, de geschiedenis, de stadsuitbreiding. Geologie heeft mijn interesse: als de boer zijn akkers had geploegd, was het interessant om te zien of er speciale steentjes boven kwamen liggen. Ik heb nóg een afwijking: ik kijk niet naar de straatnamen, maar naar de beplanting, tuinen, enzovoort. Ik voel me een Amsterdamse, maar mijn wortels liggen in Friesland. Als kind heb ik gelogeerd bij een oom en tante in Amsterdam en ik was gefascineerd door de vele lichtjes, die zich weerspiegelden in de grachten. Al dat water: Amsterdam had zich nooit kunnen ontwikkelen zonder de Amstel en het IJ. Een bekend kinderliedje gaat over varen naar de Overtoom...

We hebben de geneugten van een bijzondere stad en we weten de plekjes groen te vinden. In de kinderboerderij de Bijlmerweide heb ik aan de kinderen verteld over boerderijdieren en ze ermee laten knuffelen. Ook zijn we naar bejaardencentra gegaan en daar werden ouderen ook helemaal gelukkig met een zacht konijn dat handtam was. Vanwege lichamelijke achteruitgang moest ik deze activiteiten afbouwen. Sinds ruim zes jaar heb ik een donornier. Iemand heeft mij dus een heel orgaan gegeven, dat goed werkt. Voor mij van levensbelang, maar ik realiseerde me dat dit in een andere familie intens gemis kan geven. Peter is heel goed in scheikunde. Hij werkte op de afdeling 'huid': ons grootste orgaan, waar we ook heel zuinig op moeten zijn.

Hier in de Bijlmer willen we een rustpunt hebben, een plek om samen iets te beleven. Samen in de keuken bezig zijn vind ik heerlijk, om een recept te leren beheersen: iedere streek heeft iets eigens. Ons stukje Geerdinkhof was een lusthof vanwege de wilde planten; aarde met zaadjes heb ik teruggestort, we hebben veel bodembedekkers tegen uitdroging: eigenlijk gaat er nooit iets kapot.
Met een donornier, een nieuwe kans, behoort toch elke dag een feestje te zijn?