De Bijl is altijd op zoek naar bijzondere verhalen, prikkelende gebeurtenissen en discussies ‘op de rand’. ‘Misstanden in de politiek’- en ‘onrust in de straat’-onderwerpen liggen voor het oprapen en zijn voor veel lezers inmiddels gemeengoed. Ha, de kredietcrisis! Een onderwerp waar altijd wel weer iets ranzigs over te vertellen valt. Het woord kredietcrisis leidt de aandacht ernstig af van de werkelijke aanleiding. En die aanleiding is een al jarenlang toegestane ongebreidelde overconsumptie van de mens zelf. En dan niet een overconsumptie als het om eten gaat, maar een niet meer te stoppen geilheid naar meer geld, meer willen, meer geldingsdrang, want ‘de buurman heeft het toch ook?!’

De Bijl struikelde al vroeg over het volgende. Ontslagen, werkeloosheid, bezuinigingen, een toenemend aantal ZZP’ers dat thuis zit af te wachten, of tegen een tarief van €25 toch nog wat droog brood verdient. Die spiraal werd genadeloos doorbroken door een recent verhaal. ‘Waar is je man? O, die is skiën. Moest je niet mee? Nee hij is met zijn werk.’
Ik dacht nog naïef dat ze een leuk clubje vrienden hadden. Nee, ze zijn met z'n werk. Ik geloof driehonderd man! Ik dacht dat ik het niet goed hoorde. En ja hoor, driehonderd man! Vervolgens slaat bij mij de gedachte op hol! Hoezo, kredietcrisis?! Daarna ontstaat er bij mij een interne discussie over het gat tussen arm en rijk, de kloof die steeds maar groter wordt. Thuiszittende werklozen, dubbele lasten. Kortom, het moet toch niet gekker worden, met driehonderd man voor de lol .......

In zijn onnavolgbare boek ‘Opstand der horden’ kondigde José Ortega y Gasset de scheefgroei en toenemende weerstand bijna honderd jaar geleden al aan. Het begrip ‘volte’. Aanvankelijk was er voor iedereen ruimte, je kon en mocht overal naar toe en als je te ver van het evenement de zaak moest aanhoren bleef je vanzelf weg of je organiseerde zelf op een andere plaats hetzelfde. Vanaf het moment dat we ruimte zijn gaan toewijzen aan bepaalde en bijzondere doelgroepen ontstonden bovengenoemde problemen. Een bejaardenhuis met zestig plaatsen, terwijl er wel honderdtachtig bejaarden waren die hulp nodig hadden, een theater met driehonderd zitplaatsen terwijl ik nummer driehonderdeneen was, een opvanghuis voor mislukte vrachtwagenchauffeurs waar je als gevallen bouwvakker niet in mocht. De grootste groep met dezelfde vraag moest buiten blijven staan.

Nog steeds is dat zo. Zo kennen we in dit land specifiek jongerenbeleid, ouderenbeleid, gehandicaptenbeleid, beleid voor starters, voor oudere werknemers, herintreders, zij-instromers, vervroegde uittreders, vutters, pré-pensioeners, etcetera. Iedereen met z'n eigen grillen en wensen om maar vooral, ten opzichte van zijn naaste, niets te kort te komen. Graag ga ik de discussie aan met gehandicapten met een startmededeling in de orde van ‘ik ben op veel meer gebieden meer gehandicapt dan u’. In de opsomming van belemmerende handicaps win ik het meestal en ik klaag niet, hoor! Goed salaris, mooie auto, regelmatig met vakantie. Waarom specifiek ouderenbeleid als er meer narigheid is bij 50-plussers dan bij gezonde 80-plussers?

Stiekem heeft de overheid al wel haar beleid hierop ingezet. Wat minder ‘dat moet ik ook hebben’ en wat minder ‘daar heb ik toch ook recht op?’ Misschien is het een aanzet tot een mentaliteitsverandering. Geen bijzondere aanpak meer voor groepen die menen dat ze afwijken van anderen (en vooral denken dat ze meer moeten en beter zijn). George Orwell: ‘All animals are equal, but some of them are more equal than others’.
‘Inclusief beleid’ heet dat. Meer mogelijk omdat het voor meer mensen hetzelfde is en minder voor mensen die menen meer te zijn dan anderen. Goed, ik hoor de aanmerkingen al wel. Grijze massa, tijden van Marx, opkomst der staatsboerderijen. Oké, maar of ik nu met driehonderd man moet gaan skiën ‘omdat de jongens het zo nodig hebben’ terwijl de buurman werkloos thuiszit?

Voor elck wat wils, maar mag het ietsje minder zijn?