Een vrouw loopt door onze wijk. Ik zie haar vaak, zomer en winter, vroeg of laat, nat of droog.

Misschien heeft u haar ook wel eens gezien. Ze is op leeftijd, klassieke kleding, waarschijnlijk afkomstig uit een oosters land. Ze intrigeert me. Als ik haar zie, knik ik haar toe, maar haar blik is gericht op elders, op een mij onbekende plaats en tijd. Ik durf haar niet aan te spreken, dat zou ongepast zijn, dat zou een inbreuk op haar privacy zijn.

Haar aanblik brengt me terug in de tijd. Lang geleden stapte ik in de trein van Den Haag naar Amsterdam en in een van de coup├ęs trof ik de moeder van een vriend van me, een oud en kwetsbaar Haags dametje. Ik ging naast haar zitten en ze vertelde me over haar leven. Het jappenkamp, de dood van een van haar drie zoons, de dood van haar man bij de Birma-spoorlijn, de bombardementen bij hun tocht van het kamp naar de haven. Links en rechts doden en gewonden, maar zij kwamen heelhuids bij het schip aan. Sneeuw en ijs in Nederland, de kille ontvangst en daarna een hard en schraal bestaan bij haar vader in huis. Zij sprak en ik keek naar haar. Ik hoopte nog geen procent mee te hoeven maken van wat zij had meegemaakt en overleefd. Laat mij maar tuttelen in het veilige Holland, met af en toe een procentje koopkracht meer of minder.

De onbekende wandelende dame intrigeert me. Ik zal haar niet aanspreken. Haar levensverhaal zou me waarschijnlijk te machtig zijn.